In openbare zitting vergaderd;
Gelet op artikel 170, §4, van de Grondwet;
Overwegende dat de financiële toestand van de gemeente de invoering vergt van alle rendabele belastingen;
Gelet op het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen en wijzigingen;
Gelet op het besluit van de gemeenteraad van 10 december 2018 waarbij voor een periode eindigend op 31 december 2019 een gemeentebelasting werd ingevoerd op opgravingen van graven en urnen op de gemeentelijke begraafplaatsen;
Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 14 mei 2004 tot organisatie, inrichting en beheer van begraafplaatsen en crematoria en wijzigingen;
Gelet op de nota van Vlaams ministers Marino Keulen en Inge Vervotte bij het ontwerp van besluit van de Vlaamse regering van 2 december 2005 waarin vermeld staat dat het opgraven van een stoffelijk overschot uitbesteed mag worden aan een privé-onderneming;
Gelet op de voorschriften voor een opgraving zoals beschreven in het besluit van de Vlaamse regering van 14 mei 2004;
Overwegende het verschil in de fysieke en psychische belasting tussen het opgraven van graven en urnen;
Gelet op het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017;
Op voorstel van het schepencollege;
Met ingang van 01 januari 2020 en voor een periode eindigend op 31 december 2025 wordt er een belasting geheven voor opgravingen van graven en urnen op de gemeentelijke begraafplaatsen.
Het bedrag van de belasting wordt vastgesteld op:
a) voor het toezicht op het opgraven van een stoffelijk overschot uit een graf of een urn uit een urneveld, uitgevoerd door een privé-onderneming: € 100;
b) voor het toezicht op het openen van een columbariumnis, uitgevoerd door een privé-onderneming: € 50;
c) voor het opgraven van een stoffelijk overschot uit een graf door de gemeentelijke diensten:
€ 1.000;
d) voor het opgraven van een urn uit een urneveld door de gemeentelijke diensten: € 200;
e) voor het openen van columbariumnis door de gemeentelijke diensten: € 100.
De belasting is niet verschuldigd voor:
a) De opgravingen die op bevel van de rechterlijke overheid gedaan worden.
b) De opgravingen, genoodzaakt door het overbrengen, van een oud op een nieuw kerkhof van lijken die ter aarde besteld werden in een eeuwigdurende concessie gegeven begraafplaats.
c) De opgravingen van voor het vaderland gestorven militairen en burgers.
De belastingplichtigen moeten voorafgaandelijk aangifte doen bij het gemeentebestuur en er een bedrag gelijk aan de vermoedelijke belasting in bewaring geven tegen afgifte van een ontvangstbewijs, dat op elk verzoek van de met het toezicht belaste ambtenaren of agenten moet worden vertoond. Het in bewaring gegeven bedrag zal van ambtswege als een contant - betaling worden geboekt en ten overstaan van de belastingplichtige met een kwitantie worden bevestigd indien geen tegenbericht van de belastingplichtige bij het gemeentebestuur toekomt uiterlijk de dag voor deze waarop het belastbaar feit zich zal voltrekken.
Als de contante inning niet kan worden uitgevoerd, wordt de belasting een kohierbelasting.
De vestiging en invordering van de belastingen en ook de behandeling van geschillen hierover gebeuren volgens de modaliteiten vervat in het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen en wijzigingen en het uitvoeringsbesluit terzake.
Het reglement zal worden bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286, §1, 1° en 287 van het Decreet Lokaal Bestuur.